Vertrouwen, betrouwbaarheid, integriteit en vitaliteit: hoe hangen die samen, en wat is de rol van excellentie en ‘Social Fitness’ hierin?

Liesbeth Feikema

Liesbeth Feikema is bij Darwin on the Job aangesloten als Affiliated Trainer. Ze geeft trainingen en is coach op gebied van integriteit. Ze is extern onderzoeker bij het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht
integriteit-samenleving-vertrouwen

Logo Week van de Integriteit

Jaarlijks organiseert ICC, the International Chamber of Commerce, de Week van de Integriteit, en ook dit jaar is dat het geval. Vermeldenswaard is dat ICC dit jaar zijn 100ste verjaardag viert.

Vorig jaar schreef ik eveneens namens Darwin on the Job een blog over integriteit in het kader van de Week van de Integriteit. Inmiddels is Darwin on the Job officieel partner van ICC in de Week van de Integriteit. De visie die ICC uitdraagt om ‘good governance’ te stimuleren en te bewerkstelligen onderschrijft Darwin on the Job geheel, en we zetten graag onze kennis en expertise in om handen en voeten te geven aan deze visie.

‘Restoring Trust, Revitalising Economies’ is dit jaar het thema van de Week van de Integriteit. Over dit thema zegt ICC het volgende:

Trust is the vital element of a well-functioning society. The belief in a competent, honest, and benevolent, in other words trustworthy ‘other party’ is of utmost importance in cooperation among various actors. However, a trust deficit between and within businesses, governments and (civil) society remains. Against this background, the 6th ICC’s International Integrity and Anti-Corruption Conference aims to link the concepts of integrity, trust and prosperity.1

Betrouwbaarheid wordt hier als belangrijke voorwaarde genoemd voor samenwerking tussen verschillende partijen in de samenleving in en tussen de publieke en private sector.

Betrouwbaarheid geldt hier dus als de basis voor ‘integriteit’, ‘vertrouwen’ en ‘welvaart’. De vraag hoe dit precies werkt komt aan de orde in deze blog, waarbij ik achtereenvolgens inga op wat samenleven veronderstelt, de rol van vertrouwen hierin, en vervolgens komt het verschil tussen vertrouwen en betrouwbaarheid aan de orde door aandacht te besteden aan het begrip ‘institutionaliteit’.

Daarna bespreek ik de relatie met integriteit en vitaliteit en tot slot komt aan de orde hoe we het thema van de Week van de Integriteit en de hierboven geciteerde visie in de praktijk kunnen vormgeven.2

Wat is samen-leven en wat veronderstelt het?

Vertrouwen wordt in bovengenoemd citaat gekarakteriseerd als ‘vitaal element’ van een goed functionerende samenleving, en wel in de samenwerking tussen private en publieke partijen. Hoe werkt dit precies en wat maakt nu dat vertrouwen zo’n ‘vitaal element’ is? Laten we eerst eens stil staan bij wat de voorwaarden voor samenleven zijn. De filosoof Aristoteles zei al dat de mens een politiek dier is, een zoön politikon.3 Omdat wij als mens niet kunnen overleven in ons uppie, leven we met anderen samen: we hebben elkaar nodig. Samenleven is een voorwaarde voor leven en overleven. Samen-leven is functioneel: het is niet alleen noodzakelijk, het is ook efficiënt en effectief, en daarom doen we het: dit is hoe de natuur werkt. De mens vormt in dit opzicht geen uitzondering op veel (andere) dieren. Als je in je eentje zou moeten overleven, zou je geheel van jezelf op aan moeten kunnen. Bij samenleven geldt dat je niet alleen van jezelf op aan moet kunnen, maar vooral ook van anderen. Ik zal uitleggen hoe dit werkt.

De overlevingskansen van zowel de individuele leden alsook van de groep verbeteren als er sprake is van een onderlinge taakverdeling tussen de leden van die groep. Zelfs in samenlevingen met de meest eenvoudige structuren is sprake van een taakverdeling. Een koppel is al een samenleving, en waarschijnlijk is er sprake van taakverdeling. Mocht dit niet het geval zijn, dan wordt het stel hiertoe zeker genoodzaakt wanneer er een kind komt: dan moét je wel. Je merkt al snel dat aanleg of talent, kennis en ervaring criteria zijn om een bepaalde taak op je te nemen. Dit zien we ook in zogenaamde archaïsche of ‘traditionele’ samenlevingen4: de een is nu eenmaal beter en handiger in jagen, ook omdat hij of zij meer kennis heeft van hoe bepaalde dieren zich gedragen. Degene die bij conflicten binnen de groep kan bemiddelen heeft draagvlak van iedereen nodig, ook omdat die persoon alleen geloofwaardig is als hij of zij onafhankelijk en onpartijdig blijft. Er zijn ook leden van de groep die uitblinken in de maaltijdbereiding, en weer een ander blijkt goed in het vinden van geneeskrachtige kruiden en het verzorgen van wonden. Zo ontstaat er vanzelf een vorm van specialisatie. Dankzij elkaars kennis en ervaring biedt de samenleving voor elk individu voordelen en wordt de overlevingskans van de groep en de individuele leden van die groep vergroot.

Vertrouwen

Behalve specialisatie houdt samenleven automatisch in dat je als individu een stukje van je autonomie inlevert: je besteedt iets uit aan iemand die beter is toegerust – meer talent en/of kennis en ervaring heeft op het betreffende gebied – dan jij. Met meer anderen zijn er verschillende dingen die verschillende anderen beter kunnen dan jij. Behalve specialisatie houdt succesvol samenleven dus noodzakelijkerwijs onderling vertrouwen in en hiermee het inleveren van een stukje autonomie door de individuele leden van die samenleving. Hoe complexer een samenleving wordt, hoe verdergaand de mate van specialisatie is en hiermee eveneens het vereiste vertrouwen.5

Degene die een aan hem/haar toevertrouwde taak vervult neemt een verantwoordelijkheid op zich. Anderen zijn afhankelijk van hem of haar voor goede taakuitoefening. Bij relaties die zijn gebaseerd op vertrouwen is er hierdoor per definitie sprake van asymmetrie in termen van kennis en macht.6 Deze asymmetrie houdt in dat je dus nog maar moet afwachten of iemand zich verantwoordelijk gedraagt ten aanzien van de door jou aan hem of haar toevertrouwde taak. Dit eenrichtingsverkeer maakt kwetsbaar. Vertrouwen heeft een incidenteel en contingent karakter: het zal van een persoon afhangen, of misschien wel van de bui waarin die persoon verkeert, of het vertrouwen gerechtvaardigd blijkt te zijn of niet. Maar uiteindelijk kan geen enkele samenleving zonder patronen van wederkerigheid, omdat we allemaal van elkaar afhankelijk zijn: een bakker dankt zijn positie aan het feit dat er afnemers zijn voor zijn broden, en zo geldt dat voor alle taken in de samenleving.

‘Institutionaliteit’: het verschil tussen vertrouwen en betrouwbaarheid

Hiermee komen we op het verschil tussen ‘vertrouwen’ en ‘betrouwbaarheid’. Vertrouwen is niet ingekaderd en niet ingebed, het hangt van de omstandigheden af of we iemand of kunnen vertrouwen. Vertrouwen is dus niet erg duurzaam. Maar op het moment dat er verwachtingspatronen ontstaan ten aanzien van een bepaalde taakuitvoering en deze een zeker routinematig maar ook persoons- en generatie-overstijgend karakter7 begint te krijgen, en er sprake is van een bestendigd patroon van wederkerigheid, kunnen we van een institutionaliseringsproces spreken. Instituties kunnen we beschouwen als pijlers van de samenleving. Denk aan taken – met de bijbehorende rollen – als gezondheidszorg, onderwijs, rechtspraak, defensie. In onze moderne nationale rechtsstaat worden deze instituties als publieke taken gezien die in de wet zijn verankerd.8 Maar ook in de private sector worden voor de samenleving vitale functies vervuld, zoals bijvoorbeeld het produceren van allerhande goederen en diensten die we nodig hebben om te (over)leven, en ook de handel in en het transport van deze goederen en diensten die ervoor zorgen dat ze op de juiste plek terechtkomen.

Het proces van institutionalisering impliceert dus het bestendigen van een patroon van wederkerigheid waar het gaat om maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van deze zich institutionaliserende taken. Deze verwachtingen worden in de betreffende samenleving als gerechtvaardigd beschouwd, het zijn ‘legitieme’ verwachtingen. Met andere woorden: van een arts die jou behandelt mag je verwachten dat hij of zij handelt conform de verwachtingen die je van een arts mag hebben; die verwachtingen hebben de status van een maatschappelijke norm. Deze normen krijgen vaak hun beslag in de vorm van beroepsregels, protocollen en reglementen, en ook gedragscodes. In de zogenaamde moderne samenlevingen zijn deze maatschappelijke normen wettelijk vastgelegd. Dit is in archaïsche samenlevingen9 niet het geval, maar dit soort samenlevingen kent eveneens legitieme verwachtingen over wat de juiste uitvoering van een taak is. Het is verdedigbaar te stellen dat er in die samenlevingen eveneens sprake is van ‘institutionaliteit’. In archaïsche samenlevingen liggen de verwachtingen ten aanzien van bepaalde taken in de vorm van maatschappelijke rollen bijvoorbeeld vast in spreekwoorden en gezegden, en hiermee zijn deze samenlevingen sterk gecodeerd. Over de dorps-chef in de Bantu-traditie van centraal Afrika bestaan verschillende gezegdes die het normatieve perspectief op de integriteit van deze positie weergeven, zoals bijvoorbeeld: ‘The throne upon which the chief is seated does not shake’, en: ‘The village chief never sees the devil’.10

Vertrouwen is incidenteel, contingent en asymmetrisch.11 Waar vertrouwen wordt bestendigd en geïnstitutionaliseerd, en daarmee consistent wordt en er sprake is van legitieme verwachtingen, spreken we van betrouwbaarheid. Betrouwbaarheid is dus ‘gestold’, oftewel geïnstitutionaliseerd, vertrouwen. Betrouwbaarheid is symmetrisch in de zin dat de legitieme verwachtingen ten aanzien van bepaalde taken een tegenkracht bieden voor de asymmetrie van vertrouwen.

Op het moment immers dat het vertrouwen wordt beschaamd is er een maatschappelijke norm in het geding, waarmee er een basis is voor een sanctie en correctie van deze normschending. Kijk naar de zogenaamde Toeslagenaffaire, waarbij het handelen van de Belastingdienst als een van de dragende instituties van onze samenleving onbetrouwbaar is gebleken. Dit grijpt diep in, omdat onze legitieme verwachtingen in het geding zijn ten aanzien van deze institutie: taken werden niet naar behoren vervuld. De maatschappelijke verontwaardiging over de geschonden norm geldt als tegenkracht, en als grond voor de noodzaak tot sanctie en correctie. Nogmaals: in onze ‘moderne’ samenleving zijn deze normen wettelijk verankerd. Maar ook een zogenaamde archaïsche samenleving kent deze tegenkracht: op een geschonden norm staat een sanctie.

Een samenleving kan alleen duurzaam en stabiel zijn als taken die cruciaal zijn voor deze samenleving12 betrouwbaar worden verricht, met andere woorden: als ze een institutioneel karakter hebben en dit institutionele karakter ook steeds bestendigd wordt door taakconforme uitvoering en uitoefening in de praktijk. Betrouwbaarheid en institutionaliteit in deze context lijken elkaar dus te veronderstellen: ze vormen samen de noodzakelijkheidsvoorwaarde voor het bestaan van een samenleving. Bestaat een samenleving enkel en alleen uit boeven die elkaar voortdurend ondermijnen, dan kan het niet anders dan dat die samenleving zélf zal worden ondermijnd; van duurzaamheid en stabiliteit kan in deze omstandigheden immers geen sprake zijn.

Vitaliteit

Hoe komt het nu dat een samenleving die uit elkaar ondermijnende boeven bestaat niet duurzaam is en ten dode is opgeschreven? Eigen aan de boef is dat die niet te vertrouwen is, en als boeven elkaar niet vertrouwen en dus ten aanzien van elkaar ook onvoorspelbaar zijn, kan er geen betrouwbaarheid ontstaan. Het kan dus niet anders dan dat dit niet goed afloopt voor de betrokkenen. Zouden ze in de meerderheid zijn en dergelijk gedrag blijven vertonen, dan is het onwaarschijnlijk dat zo’n samenleving overleeft. Boevengedrag is dus destructief, en dat is waarom we het immoreel noemen: het is niet op het leven gericht. Moraliteit betreft in feite respect voor menselijke waardigheid: dusdanig handelen dat je de waardigheid van jezelf en anderen respecteert.13 Hiermee is ‘betrouwbaarheid’ geen a-moreel begrip: het veronderstelt respect voor menselijke waardigheid en daarmee is ‘betrouwbaarheid’ moreel geladen.

Meestal echter bestaat een samenleving niet geheel en alleen uit boeven, en zijn ze in de minderheid, en dit is de praktijk van iedere samenleving: dat er altijd een aantal leden van die samenleving zijn die zich onbetrouwbaar en destructief opstellen ten aanzien van deze samenleving. Een andere mogelijkheid is dat er sprake is van boeven die elkaar wél vertrouwen en die eigen instituties hebben die duurzaam hun belangen kunnen dienen. Denk aan de Maffia. Deze groep vormt een samenleving binnen een samenleving, maar eentje dus die erop is gericht om de samenleving waarvan ze deel uitmaakt te ondermijnen. Ook dit is uiteindelijk geen duurzame constructie, want als je alleen maar bestaat bij de gratie van het ondermijnen van anderen, komt er een moment dat je die omringende samenleving dusdanig hebt ontwricht dat niet alleen je bestaansreden wegvalt maar ook je bestaansgrond: van een kale kip kun je geen veren plukken. Hiermee kunnen de instituties van de Maffia dus niet betrouwbaar worden geacht: ze respecteren immers niet de menselijke waardigheid. Ze zijn er enkel en alleen op gericht het welzijn van een kleine minderheid te bevorderen ten koste van het welzijn van anderen. De Maffia-instituties doorstaan dus niet de betrouwbaarheidstoets in morele zin.

Voor deze beide gevallen, dus voor ongeorganiseerde alsook voor georganiseerde criminaliteit, geldt dat het gezonde deel van de samenleving wordt bevraagd op haar veerkracht. Sterke instituties zijn nodig om te kunnen overleven. Een samenleving die een substantieel aantal al dan niet goed georganiseerde ondermijners kent, boet in aan vitaliteit. Overleven kost meer energie dan floreren en in welzijn en welvaart kunnen leven. Samenleven draait dus niet alleen om overleven maar ook om welzijnsbevordering. Vitaliteit is dus van wezenlijke betekenis voor een samenleving.

We zouden kunnen zeggen dat het de taak van instituties in algemene zin is om de vitaliteit van de samenleving veilig te stellen dan wel te bevorderen14, en de wijze waarop dit gebeurt hangt van de specifieke bestaansreden en functie van een institutie af: de gezondheidzorg heeft een andere taak dan de politie, en de rechtsspraak weer een andere dan defensie. Ook in de private sector geldt dit; kijk naar de verschillen in bestaansreden en functies van bijvoorbeeld de levensmiddelenindustrie, de kledingindustrie, de farmaceutische industrie etcetera. Eigen aan instituties als zodanig is in algemene zin dat ze een levens- en welzijnsbestendigende dan wel -bevorderende taak hebben, dat is hun bestaansreden en – hiermee – ook de reden waarom ze de samenleving schragen.

Integriteit

De taken die voor een samenleving van belang zijn voor overleving en welzijn dienen betrouwbaar te worden uitgevoerd, zoals hierboven gezegd. Of ze nu in de publieke of in de private sector bestaan. Dit houdt in dat ze bevorderend werken voor de vitaliteit van die samenleving, ze zijn op het leven gericht en hiermee op de heelheid en het welzijn van de samenleving en haar leden, oftewel – zoals hierboven gesteld – op hun waardigheid. We zouden dus kunnen zeggen dat betrouwbaarheid en institutionaliteit respect voor menselijke waardigheid veronderstellen. Respect voor menselijke waardigheid is hiermee een conditio sine qua non voor samen-leven en de samenleving. Respect voor menselijke waardigheid uit zich vitaliteitsbevordering, oftewel: dienend aan het welzijn van de samenleving en haar leden.

Laten we nog eens goed kijken naar de kern van institutionaliteit. Het begint met het toevertrouwen van een taak aan een ander.15 Toevertrouwen is dus de ene kant van het verhaal, degene die de taak op zich neemt dient betrouwbaar te zijn. Die heeft hiermee een verantwoordelijkheid niet alleen jegens jou maar ook ten aanzien van de uit te voeren taak, en hiermee kunnen we dit een maatschappelijke verantwoordelijkheid noemen. Hoe groter die verantwoordelijkheid, hoe groter de impact als het vertrouwen wordt geschonden. Als Volkswagen geen deugdzame auto’s maakt, lijden niet alleen de eigen klanten schade, maar ook auto-industrie als institutie lijdt schade: want als de auto’s van Volkswagen niet deugen, wie zegt dan dat de auto’s van andere merken deugen? Bovendien loopt het maatschappelijk vertrouwen een deuk op: wie kan ik nog vertrouwen?

Verantwoordelijke en betrouwbare taakuitoefening, waarbij respect voor menselijke waardigheid in de zin van welzijnsbevordering uitgangspunt is, is de kern van institutionaliteit. Institutionaliteit gaat dus over dienen: verantwoordelijke taakuitoefening is per definitie dienend. En natuurlijk moet je het uitoefenen van taken doen op een manier waarop je jezelf niet kwijtraakt, want burn outs van individuen en organisaties dienen niemand… Sterker nog: elke functie zou een bron van zingeving kunnen zijn, want in feite is de kern van institutionaliteit, en hiermee van alle institutionele rollen, een verantwoordelijkheid jegens jezelf en anderen – de maatschappij – op basis van trouw; trouw aan de specifieke taak die weliswaar in algemene zin respect voor menselijke waardigheid door vitaliteitsbevordering tot uitgangspunt heeft.16

Het privé-domein en het domein van de buitenwereld ontmoeten elkaar in de wijze waarop jij je institutionele rol vormgeeft, deze letterlijk gestalte geeft in de praktijk. Vanuit een normatief perspectief kan deze rol alleen maar dienend worden ingevuld. En hiermee raken we de kern van integriteit: hoe kan ik mijn functie dusdanig uitoefenen dat ik vanuit een alpartijdig perspectief dát doe wat ik in deze functie, met deze taak, geacht wordt om te doen. Dit is allereerst een morele aangelegenheid, waarbij uiteraard de wettelijke kaders in acht dienen te worden genomen.17

En nu naar de praktijk…

Op grond van het bovenstaande weten we nu hoe ‘vertrouwen’, ‘betrouwbaarheid’, ‘vitaliteit’ en ‘integriteit’ met elkaar samenhangen ‘Restoring Trust, Revitalising Economies’, het thema van de Week van de Integriteit. Daarom is het nu tijd om naar de praktijk te kijken. Hoe kunnen organisaties, of ze nu publiek of privaat zijn, goed functioneren? En: hoe kunnen ze goed samenwerken met elkaar? Voor constructieve en betrouwbare samenwerking moet je je eigen zaken op orde hebben en dus zorgen dat je eigen organisatie minstens naar behoren functioneert. Betrouwbaarheid, integriteit en vitaliteit zijn hiervoor noodzakelijke voorwaarden, of je nu een publieke of private organisatie bent.

Zoals het gezin wel eens de hoeksteen van de samenleving wordt genoemd, en dat is niet voor niets, zou je het team de hoeksteen van de organisatie kunnen noemen. Net als het gezin is het team de kleinst mogelijke eenheid van samenleven. De ene context is privé (gezin), de andere professioneel (team). En ja, net als een gezin kan ook een team uit twee leden bestaan. Het team waarvan je deel uitmaakt is de kern van de ‘werkvloer’. Jouw team is je ‘thuis’ op het werk, je professionele habitat. Met wie je bent als persoon in je persoonlijk leven, vervul je een maatschappelijke functie in de context van een organisatie die een bestaansgrond heeft in de samenleving. Dit geldt ook voor je collega’s met wie je zo nauw samenwerkt dat je een team vormt. De sociale dynamiek van het team maakt dat werk een ervaringswereld is, een omgeving waarin je samen met anderen de organisatie niet alleen beleeft maar ook betekenis geeft, het is de plek, de locus, waar het werk tot leven komt. Het team is de schakel tussen wie jij bent als persoon in je functie enerzijds en de organisatorische werkelijkheid waarin dit werk gestalte krijgt anderzijds. Op team-niveau komt daarom alles samen: zowel het individuele perspectief, als het perspectief van de organisatie. Wat er in de organisatie speelt, speelt in essentie op het niveau van het team.

Darwin on the Job heeft er bewust voor gekozen zich te focussen op het niveau van het team: dáár gebeurt het! Alle hierboven genoemde aspecten zoals trouw, betrouwbaarheid, institutionaliteit, vitaliteit en integriteit zijn er aan de orde, en ze dienen binnen een organisatie ook ‘op orde’ te zijn. Teams zijn een goede graadmeter om te zien of de organisatie de eigen institutionaliteit in de praktijk handen en voeten kan geven. Teams dienen excellent te functioneren, wat inhoudt dat ook de leden van die teams excellent functioneren; individueel en in hun onderlinge samenwerking. ‘Social fitness’ vormt hierbij de centrale notie. Hieronder wordt het volgende verstaan: ‘de mate waarin mensen in staat zijn en blijven tot succesvolle interactie binnen een continu veranderende werkomgeving’18. Hiermee bedoelen we niet alleen dat een taak goed wordt uitgevoerd, maar ook dat die taakuitoefening plaatsheeft in een setting waarin alle betrokkenen floreren, er sprake is van vitaliteit en integriteit, gegeven een continue dynamiek: alles verandert immers voortdurend.

Goede samenwerking in en tussen organisaties kan altijd worden gelokaliseerd op team-niveau. Daar dienen vertrouwen, betrouwbaarheid, vitaliteit en integriteit dusdanig op orde te zijn dat de leden van het team ‘social fit’ zijn, goed toegerust zijn om hun taken te vervullen opdat het team en daarmee ook de organisatie excellent kan functioneren. Dan leveren individuele teamleden, teams en hiermee organisaties als zodanig, zowel op zich als in onderlinge samenwerking een bijdrage aan het floreren van de samenleving, en kan ‘Restoring Trust, Revitalising Economies’ niet anders dan een feit zijn.

Bronnen

  1. https://weekofintegrity.org/conference/
  2. Deze blog is gestoeld op de bevindingen in mijn proefschrift: Liesbeth Feikema, ‘Still not at Ease: Corruption and Conflict of Interest in Hybrid Political Orders’. Questiones Infinitae, vol. 85. Universiteit Utrecht, 2015. Overigens het ik de in deze blog gebruikte term ‘institutionaliteit’ niet als zodanig gebruikt in mijn proefschrift.
  3. Aristotle, Politics. Translated by Ernest Barker, Revised with an Introduction and Notes by R.F. Stalley. Oxford World’s Classics, Oxford University Press. 2009. P. 11.
  4. De socioloog Max Weber begrijpt dit soort samenlevingen in termen van ‘traditionele autoriteit’, waarbij het gezag afhangt van de macht van specifieke personen in bijvoorbeeld een familie of clan. M. Weber, Economy and Society: An Outline of Interpretative Sociology. Edited by G. Roth and C. Wittich. Berkeley. University of California Press. 1978. (Eerste druk: 1922). P. 226 – 237.
  5. In mijn proefschrift betoog ik dat hoe groter de discretionaire bevoegdheid is, hoe meer ruimte er is voor integriteitsschennis.
  6. F.L.B. (Franck) Meijboom, ‘Problems of Trust: A question of Trustworthiness. An Ethical Inquiry of Trust and Trustworthiness in the Context of the Agricultural and Food Sector.’ Proefschrift, Universiteit Utrecht, 2008. Franck Meijboom bespreekt in zijn dissertatie het onderscheid tussen vertrouwen en betrouwbaarheid, en de aard van dit onderscheid. Hierbij wordt aandacht besteed aan het maatschappelijk belang van betrouwbaarheid. Ik volg deze redenering in mijn proefschrift, en ook in deze blog, maar benadruk ik het institutionele karakter van betrouwbaarheid en voeg toe dat in normatieve zin de kern van betrouwbaarheid en van instituties bestaat uit de zogenaamde ‘fiduciaire plicht’. Zie voetnoot 16.
  7. Ik volg hierin respectievelijk R. Jaeggi, ‘What is a (Good) Institution?’ Draft, Humboldt University Berlin 2009: https://ancient-philosophy.hu-berlin.de/en/ancient-philosophy/de/lehrbereiche/jaeggi/mitarbeiter/jaeggi_rahel/RJWhat%20is%20a%20-good-%20institution.pdf en S. Miller, The Moral Foundations of Social Institutions: A Philosophical Study. Cambridge University Press, 2009. P. 24.
  8. Op de kenmerken van rechtsstatelijkheid ga ik hier nu niet in, evenmin op conceptuele vooronderstellingen in het begrip ‘rechtsstaat’, en het conceptuele verschil tussen het publieke en private domein.
  9. Ik besteed aandacht aan dit soort samenlevingen omdat we de mechanismen van de samenleving willen begrijpen. Juist het kijken naar oude en in hun structuur minder gecompliceerde samenlevingen is buitengewoon leerzaam in dit opzicht.
  10. Mukumbuta LISIMBA, Kongo Proverbs and The Origins of Bantu Wisdom. CICIBA & MUKUMBUTA LISIMBA, Libreville, Gabon, 1999. P. 149 en 151.
  11. Zie de hierboven genoemde dissertatie van Franck Meijboom. Meijboom benoemt dat vertrouwen in instituties per definitie onpersoonlijk is, en daarom zijn regels zo belangrijk: we moeten instituties kunnen vertrouwen, zonder dat we weten of de rolbeoefenaars binnen die institutie als persoon betrouwbaar zijn. Meijboom, 2008. P. 163.
  12. Helaas kan ik gezien de omvang van deze tekst hier niet uitgebreider op ingaan: wat cruciale taken zouden zijn en niet. Dat hangt uiteraard van de omstandigheden af. Het is overigens zeer goed verdedigbaar te stellen dat voor elke taakuitvoering geldt dat die cruciaal is: er is immers altijd sprake van toegekend vertrouwen dat niet beschaamd mag worden, alleen voor een rechter ligt de maatschappelijke impact iets anders dan voor een schoonmaker. Beide doen er echter toe.
  13. In mijn proefschrift refereer ik in dit verband aan de moraalfilosofie van Immanuel Kant waar het gaat om moreel actorschap, en het op Kants’ inzichten geconstrueerde begrip ‘menselijke waardigheid’, waarover overigens verschillende inzichten bestaan.
  14. In deze visie past ook goed een ‘stakeholder’-benadering in plaats van een ‘shareholder’-benadering.
  15. In de economie wordt wel over de ‘principal-agent’ relatie gesproken.
  16. In mijn proefschrift noem ik dit een ‘fiduciaire plicht’. In de Angelsaksische wereld is de zogenaamde ‘fiduciary duty’ een specifiek en ingekaderd begrip geworden. Ik bedoel het hier in de meest letterlijke zin.
  17. In het kader van deze blog voert het te ver in te gaan op de mogelijke strijdigheid tussen morele en wettelijke kaders.
  18. https://darwinonthejob.nl/

Liesbeth Feikema

Liesbeth Feikema is bij Darwin on the Job aangesloten als Affiliated Trainer. Ze geeft trainingen en is coach op gebied van integriteit. Ze is extern onderzoeker bij het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht